Streven naar vragen

Heel normaal weer is het. Jas-aan-jas-uitweer, de zon is net warm genoeg en de wind net niet te koud. Zo ver als ik kan kijken alleen maar stapelwolken en groen gras. Het doet haast Hollands aan. Met de zon op m’n gezicht kijk ik om me heen. Ik zie gras en wolken. En barakken. En de toegangspoort van Auschwitz. 

Ik wist niet goed waarom ik naar Auschwitz wilde. Nu ik er ben, vraag ik me af wat ik er doe en wat ik verwacht. Wil ik me kunnen voorstellen wat er is gebeurd, wil ik een antwoord op vragen? M’n camera liet ik thuis, om te kunnen kijken en luisteren. Maar met elke stap die ik in het voormalige vernietigingskamp zet, besef ik dat ik niet hoor wat zij hoorden, niet zie wat zij zagen en niet voel wat zij voelden.

Onze gids zegt tijdens de rondleiding een aantal keer “Bitte stellen Sie sich vor, dass …”, gevolgd door iets verschrikkelijks. Ik snap het idee wel. Want als niet hier, waar dan wel? Het lukt alleen niet, ik kan het me nog steeds niet voorstellen. En of dat eigenlijk wel het streven moet zijn, weet ik ook nog steeds niet.

Proberen doe ik het wel degelijk. Maar daar waar onze gids de grote getallen noemt, zoek ik de kleine verhalen. Niet de ‘meer dan een miljoen’, maar de ‘meer dan een miljoen keer een’. Het museum dat Auschwitz nu is, helpt me daarbij. Een enorme berg schoenen achter glas benadrukt de omvang van de misdaden in het kamp, de rode sandaal in de verder vormeloze bruine berg van schoenen benadrukt het individu. Slim gedaan, denk ik terwijl ik langs het glas loop. En voel er niks bij.

Veel tegen elkaar zeggen doen we niet. We houden elkaars hand vast maar zijn vooral in onze eigen gedachten verzonken. Ook in de korte pauze tussen het bezoek aan Auschwitz I en Auschwitz-Birkenau praten we nauwelijks. Vriendlief rookt, ik hoor alleen mezelf kauwen en friemel aan de plastic wikkel van m’n Snickers. Gekocht waar eens de gevangenen kaalgeschoren, ontluisd en getatoeëerd werden voordat ze in het kamp terechtkwamen.

Na de pauze gaan we met de groep naar Birkenau. Een groep van wat Nederlanders, maar vooral Duitsers. Het horen van Duits op een plek als deze voelt vreemd. Ik geniet ervan om Duits te horen en vraag me tegelijkertijd af of iedereen in deze groep weet wat zijn grootouders in de oorlog deden. Om me vervolgens te schamen voor die gedachte.

De Nederlandse vrouw achter ons zal een jaar of vijfendertig zijn. Ze sjouwt met een tasje boeken, gekocht in de museumshop. Het tasje is te vol, de plastic hengsels snijden in haar hand. Ik zie dat ze Assistent van Mengele heeft gekocht. Wat is het toch dat mensen trekt naar het meer willen weten over de gruwelen van deze plek? Boeken of niet, heel geïnteresseerd lijken de vrouw en haar vader niet. Zijn ze naar Auschwitz gekomen omdat de reisgids vermeldt dat het zo goed te combineren is met een stedentrip naar Krakau?

Veel is er niet overgebleven. Je een voorstelling maken van wat er was, is daardoor niet eenvoudig. Laat staan je voorstellen hoe het was. Maar lopend naar de resten van Krematorium II en het monument voor alle slachtoffers van het kamp wordt elke stap moeilijker. En voel ik ineens iets van de angst, de onzekerheid en de wanhoop die mensen daar eerder gevoeld moeten hebben. Ik knijp steeds harder in Erwins hand, zoek zijn blik. Dan horen we de Nederlandse vrouw achter ons: “Het is net een beetje kuieren door een vakantiepark zo hè?” We kijken elkaar aan, horen we dat nou goed? Erwin ziet de boosheid in m’n ogen, voelt hoe ik nog harder in z’n hand knijp om de boosheid kwijt te kunnen en probeert me te kalmeren. We zeggen maar niks. Hadden we er iets over moeten zeggen?

Een uurtje later zitten we zwijgend aan een tafeltje in de zon. Allebei met te veel gedachten en hoofdpijn. Leek het me ’s ochtends nog leuk om de champignonburger van McDonalds te proberen, ik werk ‘m nu haast mechanisch weg. We hadden zoveel meer willen doen. Oświęcim willen bekijken. Zodat Auschwitz niet meer hetzelfde is als Oświęcim. Naast ons zit een groepje jongeren. De jongens pesten de meiden, de meiden giechelen. Dat is hier niet anders dan in Nederland. Ik ben benieuwd hoe zij tegen hun stad aankijken. Is Oświęcim hun woonplaats en Auschwitz een museum? Welke toekomst heb je in een stad met zo’n geschiedenis?

Erwin vraagt me wat ik van de dag vond. Ik denk dat ik had verwacht dat na een bezoek aan Auschwitz alles een plek zou kunnen krijgen. Dat deed het niet. Ruim vijf weken, drie boeken en vele gesprekken verder doet het dat nog steeds niet. En heb ik nog steeds heel veel vragen. Maar is dat niet een al een klein beetje waar een bezoek aan Auschwitz-Birkenau Memorial om draait? Om te blijven kijken, luisteren, voelen, denken, herdenken, praten en vragen?

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *