Op kamers

De witte Mini Cooper draait de hoek om, remt af en stopt aan de linkerkant van de weg. Net als ik me afvraag waarom iemand op die plek zou stoppen gaat het raampje van de auto open. Een vrouw van een jaar of vijfenveertig kijkt me vragend aan: “Hallo mevrouw! Onze zoon gaat hier op kamers wonen en we,” ze wijst naar de man naast haar, “zijn op zoek naar een cafetaria.” 

Ik leg de man en vrouw uit dat ze de straat uit moeten rijden en dan een stukje verderop Cafetaria ‘t Dreefke zullen zien. De vrouw draait snel het raampje dicht, ik kan nog net “Smakelijk!” zeggen voordat ze gas geeft en wegrijdt. Ik loop verder en denk na over de woorden van de vrouw. Het “onze zoon gaat hier op kamers wonen” zorgt voor een glimlach op m’n gezicht.

Bijna veertien jaar geleden ging ik voor het eerst op kamers wonen. M’n vader en zus hielpen met verhuizen. Met een auto en een karretje volgeladen met spullen reden we naar m’n nieuwe woonplaats. Tapijt leggen, alle spullen en meubels naar de achtste verdieping van de studentenflat sjouwen en ook nog eens naar de IKEA. Geen wonder dat we rond een uur of zes niet alleen uitgeteld en doodop maar ook hongerig waren.

Op zoek naar de dichtstbijzijnde mogelijkheid om te eten belandden we bij een Chinees restaurant. Zus had meer oog voor de vissen in het knalblauwe aquarium naast haar dan voor het eten op haar bord, m’n vader gaf me wat last minute adviezen mee die ik maar half hoorde. En ik? Ik vond op mezelf wonen ineens heel erg spannend en prikte afwezig in de droge slierten bami op m’n bord. Was het nou wel zo’n goed idee?

“Wij gaan wel even wat halen!” hebben ze waarschijnlijk tegen hun zoon gezegd. Hij knikte instemmend, met de verfroller nog in z’n hand. Ook al staan alle ramen open, de verflucht zal nog een paar dagen in zijn nieuwe kamer blijven hangen. Daar verandert een bestelling bij het cafetaria om de hoek ook niks aan. Eten doen ze met z’n drietjes met hun bakje friet op schoot. In een kamer van twaalf vierkante meter past geen eetkamertafel.

Als ze weggaan, zal de man iets mompelen over “een echte vent worden” en z’n zoon een stevige klop op z’n schouder geven, de vrouw zal haar zoon omhelzen en toefluisteren dat hij altijd z’n was kan komen brengen. En vooral in het weekend gezellig moet langskomen. Eenmaal in de auto zal het een tijd stil blijven. De vrouw slikt haar tranen weg als haar man halverwege de rit ineens de stilte doorbreekt door wat weifelend “hij kan ’t echt wel!” te zeggen. Hij lijkt vooral zichzelf gerust te willen stellen. Stilzwijgend rijden ze verder naar huis, allebei verzonken in hun eigen gedachten.

“Smakelijk!” zei ik tegen de man en vrouw in de Mini. Tegen beter weten in. Doet er ook niet toe. Deze frietjes vergeten ze alle drie nooit meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *