Nare nasmaak

Ik snap het wel. Dat je gek bent op een land als Frankrijk of Spanje begrijpen de meeste mensen wel. Dat je houdt van alle dingen Duits, dat begrijpen maar weinig mensen.

Zo had ik bij een van m’n studentenbaantjes in een restaurant eens een collega die net terug uit India was en de hele wereld al had gezien, maar zich niet kon voorstellen wat er mooi is aan ons buurland: “Nee echt Simone, er is niks mooi aan Duitsland.” Hoofdschuddend ging Annemiek verder met het snijden van tomaten voor de salades van die avond. Ik ging stil verder met het vullen van bakjes met kruidenboter, niet wetende wat ik zou moeten zeggen. Ik kan me vooral niet voorstellen dat je met je backpack op je rug door India trekt en daar niet van hebt geleerd dat je respect voor de mening van anderen zou moeten hebben. Helaas komt dat inzicht nu pas. Zes jaar te laat. Annemiek is vast niet meer in Nederland om dit van me te horen. 

Ik ben niet alleen in m’n vrije tijd, maar nu ook op m’n werk dagelijks met Duits bezig. En gewend geraakt aan de collega die werkelijk elk Duits woord lelijk weet te maken, aan de collega die graag een ‘Duits woord van de dag’ leert en aan de collega die me vroeg naar een moeilijk Duits woord. Sinds dat moment hangt er een post-it met ‘Streichholzschächtelchen’ aan haar scherm en oefent ze vlijtig.

Toch snap ik het wel. Dat het lastig is om de mooie dingen te zien aan een land met een ongelooflijk turbulente geschiedenis. En een taal waarin zelfs de liefste woorden een nare nasmaak hebben gekregen. Ik las eens een interview met een schrijfster, waarin ze uitlegt dat ze veel van Duitsland houdt, maar als ze er is toch vaak het beeld van felrode wapperende hakenkruisvlaggen op de hoek van de straat niet uit haar gedachten krijgt.

Voorovergebogen over het vriesvak in de supermarkt in Beieren zie ik vanuit m’n ooghoek het karretje naast me staan. Ik zie eigenlijk alleen de staalblauwe ogen en de blonde krullen van de kleuter die in het karretje zit. “Echt een Arisch kind,”  schiet door m’n hoofd. “Lekker is dat,” spreek ik mezelf meteen toe, “dit onschuldige kind kan nog geen twee volzinnen uitspreken en krijgt van jou meteen een stempel.” Ik voel me schuldig, met mijn kennis en achtergrond zou ik genuanceerder moeten zijn. Gelukkig kan het kind mijn blik niet plaatsen als ik ‘m aankijk, om dan snel m’n aandacht weer op de ijsjes voor later die dag te richten.

Het ventje is overduidelijk klaar met zitten, probeert uit het karretje te klimmen en jengelt “Mama, ich will raus! Mama! Ich will jetzt raus!” Moeder reageert niet, kijkt haar zoontje niet eens aan en heeft alleen oog voor het vriesvak met pizza’s.

Ik zie hoe het jongetje steeds roder wordt als nog een paar keer vragen niks oplevert. Zijn vuistjes grijpen de rand van het karretje steeds steviger vast, de kleine knokkels worden wit van woede. Dan staat het jongetje rechtop, zoekt de blik van z’n moeder, verzamelt al z’n energie en schreeuwt door de winkel:

“RAUS!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *