Jij

‘Mag ik iets vragen? Heb jij korting?’ Ik ben nog maar net op een klapstoeltje gaan zitten en ik word al aangesproken. Weer zo’n gehaaide student die met korting met iemand wil meereizen, denk ik terwijl ik ‘nee’ wil zeggen, tot tien tel en dan de vraag toch met ‘ja’ beantwoord.

‘Mag ik met jou?’ vraagt de jongen. Als ik opkijk zie ik dat hij nog jong is, ouder dan 20 is hij niet. Geen gehaaide student, z’n accent verraadt een andere moedertaal dan Nederlands en hij lijkt zelf ook te merken dat z’n zin nog niet af was. En vervolgt: ‘trein, bedoel ik’. Ik zeg dat dat prima is en ga naast hem zitten. Halverwege Eindhoven – Den Bosch begint de stilte wat ongemakkelijk te worden en vraag ik waar hij heen moet. De jongen vertelt me dat hij naar Den Bosch moet. Om daar na een paar tellen aan toe te voegen dat hij vanuit Den Bosch naar Arnhem moet. Of ik weet hoe hij daar komt?

In Den Bosch stappen we samen over op de trein naar Arnhem. Stil zitten we naast elkaar. Ik sla de krant open om ‘t wat minder ongemakkelijk te maken. ‘Lees jij veel?’ vraagt de jongen aan me. Zonder het antwoord af te wachten vertelt hij dat hij veel moet lezen. Om Nederlands te leren. Nederlands is volgens hem mooi, maar moeilijk. Ik zeg dat ik me dat goed kan voorstellen en dat ik vind dat z’n Nederlands al erg goed is. Hij glundert. Voorzichtig vraag ik aan hem waar hij vandaan komt.

‘Afghanistan’ is het antwoord, ‘maar nu woon ik in azc, twee jaar. In Maastricht. Vandaag is dag van azc, ik ben er niet.’ Ik vouw, zonder een letter te hebben gelezen, m’n krant op en luister naar de jongen die me vertelt hoe mooi zijn land is. Al is Nederland ook mooi. Toch zou hij liever naar Zwitserland willen. Ik denk aan wat je op televisie ziet over jonge vluchtelingen en hun reis en hou m’n vraag hoe hij in Nederland gekomen is voor me. We kletsen over bergen –’Die zijn er in Nederland niet hè?–, belasting betalen –’Klopt, je betaalt veel belasting hier. Maar daar krijg je ook veel voor terug!’– en zijn mogelijkheden –’Klein huisje is prima, vriend uit azc is pizzabezorger. Ik kan dat.’

Als we in Oss gecontroleerd worden blijkt dat de jongen wel samenreiskorting heeft, maar niet heeft ingecheckt. Hij peutert zenuwachtig aan z’n spijkerbroek en zoekt naar woorden om de conductrice uit te leggen dat hij wel heeft ingecheckt. Het kost hem zichtbaar moeite. De conductrice legt uit dat hij even naar het incheckpaaltje op het perron kan lopen. Als ze weg is, kijkt de jongen me verongelijkt aan en vraagt weifelend: ‘Zij snapt mij? Maar ik heb dat gedaan?’ Ik leg hem uit dat de incheckpaaltjes niet altijd goed werken, of dat hij misschien te snel is geweest. ‘Zij is streng!’ zegt hij dan. Ik grinnik en zeg dat ze hem ook een boete had kunnen geven. Hij knikt en zwijgt.

Als mijn eindbestemming station Nijmegen wordt omgeroepen sta ik op en wil ik de jongen een goede reis wensen. Voordat ik iets kan zeggen legt de jongen z’n hand op z’n hart en zegt ‘Jij, dank voor jij’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *